U bent hier: Home / Jeugdzorg misbruikt wet

Jeugdzorg misbruikt wet

by J.L. de Kreek — last modified 01-06-2013 10:05
Opgeslagen onder:

Bureaus jeugdzorg en de raad voor de kinderbescherming misbruiken wettelijke grondslagen om zakelijke belangen van de leden van Jeugdzorg Nederland te dienen. De stichtingen bureau jeugdzorg hebben in verschillende functies de bevoegdheid beslissingen te nemen die voor de cliënten ingrijpende gevolgen kunnen hebben. In het kader van de jeugdbescherming, en ook bij de screening, indicatie en zorgtoewijzing beschikken de bureaus jeugdzorg over bevoegdheden die zodanig zijn, dat de stichtingen kunnen worden aangemerkt als bestuursorganen in de zin van de Algemene Wet Bestuursrecht.

Ondanks de relevante rol die jeugdzorg medewerkers spelen bij ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van minderjarigen doen zij niet aan waarheidsvinding en vinden zij van zichzelf dat van hen niet verwacht kan worden dat zij aan waarheidsvinding doen. Vreemd natuurlijk voor de semi-overheid om bij het met de lange arm uithuisplaatsen van minderjarigen niet aan waarheidsvinding te doen. Dat deed de Gestapo ook niet. Bovendien doet de redactie van en toelichting bij artikel 2J van de Wet op de jeugdzorg vermoeden dat waarheidsvinding de ambtelijke plicht is van de medewerkers van bureau jeugdzorg en de raad voor de kinderbescherming.

Uit de Memorie van Toelichting bij de Wet op de Jeugdzorg (TK 20082009, 31 855, nr 3) blijkt dat artikel 2J de kern van het wetsvoorstel is. De verzoeken tot UHP of OTS horen gerelateerd te worden aan dit artikel. Artikel 2J WJZ bevat een limitatieve lijst met meldenswaardige risico's. Andere risico's dan genoemd in dit artikel komen niet in aanmerking voor melding.  Artikel 2J WJZ stelt daarbij voorts als eis dat er een <<redelijk vermoeden>> moet zijn dat de jeugdige door één of meer van de genoemde risico's in de noodzakelijke condities voor een gezonde en veilige ontwikkeling naar volwassenheid <<daadwerkelijk>> wordt bedreigd.

Blijkens de Memorie van Toelichting sluit de wetgever met het begrip <<redelijk vermoeden>> in artikel 2J WJZ aan bij het strafvorderlijke begrippenkader. Daarmee geeft de wetgever tot uitdrukking dat het <<redelijk vermoeden>> in artikel 2J WJZ soortgelijk is aan het <<redelijk vermoeden>> van artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering (Sv). De feiten en omstandigheden moeten objectief bezien voldoende aanleiding geven voor een verdenking.  Algemene vermoedens zijn zonder andere feiten of omstandigheden onvoldoende grond voor een <<redelijk vermoeden >> in de zin van artikel 2J WJZ.

Zowel Bureau Jeugdzorg, als de Raad voor de Kinderbescherming als het Adviezen Meldpunt Kindermishandeling (AMK) hebben in diverse rapporten van de Nationale ombudsman met nadruk verklaard dat zij niet aan waarheidsvinding doen en dat van hen niet verwacht worden kan dat zij aan waarheidsvinding doen. De vindplaats van deze rapporten staan op LoketBJZ.

Het algemeen bekende rapport Omringd Door Zorg En Toch Niet Veilig  van de Commissie Samson van 08 oktober 2012 wat handelt over seksueel misbruik van door de overheid uit huis geplaatste kinderen bewijst dat BJZ en de Raad bij en tijdens uit huis plaatsingen kinderen plaatst in omstandigheden waarbij zij tot vier keer meer kans maken op misbruik. Ook blijkt uit dat rapport dat BJZ en de Raad kinderen weghalen bij ouders waar ze misbruikt worden om ze te plaatsen in pleeggezinnen waar ze ook misbruikt worden, zonder dat daar enige vorm van controle op is. Controle van ouders of bijvoorbeeld de Commissie Samson of politie wordt gefrustreerd door BJZ en de Raad.

Op bladzijde 298 van haar rapport schrijft de Commissie Samson dat bij het onderzoek naar reacties van de overheid op seksueel misbruik in de jeugdzorg tevens de strafrechtelijke benadering moet worden bezien. Volgens de casemanager van LoketBJZ.nl houdt bovenstaande in dat door de raad voor de kinderbescherming en bureaus jeugdzorg ernstige strafbare feiten gepleegd worden, op grond waarvan ambtenaren gelet op artikel 162 van het Wetboek van Strafvordering en de artikelen 273 f (mensenhandel) en 197a van het Wetboek van Strafrecht aangifte dienen te doen en dossiers dienen over te dragen aan het openbaar ministerie, teneinde vervolging mogelijk te maken.

Share |
gearchiveerd onder:
comments powered by Disqus