U bent hier: Home / Kinderombudsman bewijst kinderhandel jeugdzorg

Kinderombudsman bewijst kinderhandel jeugdzorg

by J.L. de Kreek — last modified 10-12-2013 23:30
Opgeslagen onder:

Het rapport “Is De Zorg Gegrond” van de Kinderombudsman wat 10 december 2013 verschenen is bewijst wat het Goede Nieuws reeds de hele tijd beweert: dat de jeugdzorg en de raad voor de kinderbescherming functioneel kinderhandelaars en dus een criminele organisatie zijn. Dat de kinderombudsman de kinderbeschermers ondanks de fouten professioneel en deskundig noemt zal vanzelfsprekend meewegen in de strafmaat.

Zowel de jeugdzorg als de raad voor de kinderbescherming bevestigen dat zij niet aan waarheidsvinding doen of althans dat zij gezegd hebben dat zij niet aan waarheidsvinding doen zoals in het strafrecht. De grap nu is met de jeugdzorg dat artikel 2J van de Wet op de jeugdzorg dezelfde of althans soortgelijke waarheidsvindings-eis stelt als artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering. De jeugdzorg en de raad voor de kinderbescherming vergeten dat opportunistisch iets te makkelijk.

Zij denken dat omdat zij in het civielrecht kinderen misbruiken zij niet hoeven te bewijzen dat zij daarop recht hebben middels concrete bewijselementen die wettig en overtuigend bewijzen dat er een redelijk vermoeden is van de bedreiging van een minderjarige door een van de in artikel 2J WJZ limitatief opgesomde risico's. De wet lezen of begrijpen kunnen medewerkers van de jeugdzorg en de raad voor de kinderbescherming niet. In ieder geval handhaven zij de wet niet. Zij gebruiken de wet voor eigen gewin.

De jeugdzorg vordert met gesloten deuren. Kinderen worden door de semi-publieke overheid met justitiële middelen in het civiele kader van de vrijheid beroofd, dat is een UHP, met gesloten deuren, zonder dat BJZ of Raad aan waarheidsvinding doen; voorts executeert BJZ beschikkingen van rechters zonder deze voorafgaande de ten uitvoerlegging aan betrokkenen te betekenen. De parlementaire geschiedenis bij de Wet Op de Jeugdzorg is ondubbelzinnig over waarheidsvinding.

Waarheidsvinding moet overeenkomstig de norm die geldt voor de politie wanneer een verdachte wordt aangehouden en voorgeleidt. De terminologie in artikel 2J WJZ verwijst daar expliciet naar met de woorden <<redelijk vermoeden>> en <<daadwerkelijke aanwezigheid>>. Het woord <<daadwerkelijk>> betekent in werkelijkheid en is dus een absoluutheidsvereiste wat alleen in alle redelijkheid vastgesteld worden kan middels waarheidsvinding zoals in het strafrecht getoetst door de strafrechter ter openbare terechtzitting.

Share |
gearchiveerd onder:
comments powered by Disqus