U bent hier: Home / Misdrijven Bureau Jeugdzorg bewezen

Misdrijven Bureau Jeugdzorg bewezen

by J.L. de Kreek — last modified 16-09-2013 10:20
Opgeslagen onder:

In een uitzending van de EO bewijst Jan-Dirk Sprokkereef vice-voorzitter van Jeugdzorg Nederland en bestuurder bij Bureau Jeugdzorg Utrecht zelf de misdrijven van Bureau Jeugdzorg. Op Goede Nieuws wordt onthuld dat de Bureaus Jeugdzorg door het hele land kinderen gijzelen en mishandelen en misbruiken en verwaarlozen voor geld. Jan-Dirk Sprokkereef bewijst de gijzeling van kinderen of althans hij bewijst de onrechtmatige dwang en drang door zijn organisatie.

Bij Knevel en Van den Brink zegt Jan-Dirk Sprokkereef van Bureau Jeugdzorg Utrecht:

...het is alleen niet zo zoals in het strafrecht dat we kunnen zeggen het is pas een feit als het wettig en overtuigend bewezen is.

Jan-Dirk Sprokkereef van Bureau Jeugdzorg Utrecht is bestuurder van de semipubliekssector belast met een publieke zaak de openbare orde betreffende en het belang van minderjarigen als eerste overweging. Hij plaatst kinderen uit huis met behulp van justitiële middelen in het civielrechtelijke kader. Jan-Dirk Sprokkereef van Bureau Jeugdzorg Utrecht is een ambtenaar van de overheid in civiele hoedanigheid die minderjarigen van de vrijheid berooft, zonder dat de feiten wettig en overtuigend bewezen moeten zijn?

Jan-Dirk Sprokkereef van Bureau Jeugdzorg Utrecht beschuldigd ouders van benadeling van hun kinderen als grond om kinderen gedwongen op te nemen in de eigen organisatie en ze voor de duur van de jeugd onder de hoede van derden te plaatsen. Niet voorstelbaar dat de beschuldigingen van Jan-Dirk Sprokkereef van Bureau Jeugdzorg Utrecht niet wettig en overtuigend bewezen moeten zijn want anders begaat Jan-Dirk Sprokkereef van Bureau Jeugdzorg Utrecht aan de lopende band zeer ernstige misdrijven waarvoor hij zeker vijftien jaar gevangenisstraf hoort te krijgen.

De kernbepaling van de Wet op de Jeugdzorg is artikel 2J. Dat artikel is de sleutel tot de bevoegdheden van Jan-Dirk Sprokkereef van Bureau Jeugdzorg Utrecht om een UHP of OTS aan te vragen. Die bepaling is makkelijk te begrijpen:

Een meldingsbevoegde kan zonder toestemming van de jeugdige of zijn wettelijk vertegenwoordiger en zo nodig met doorbreking van de op grond van zijn ambt of beroep geldende plicht tot geheimhouding, een jeugdige melden aan de verwijsindex indien hij een <<redelijk vermoeden>> heeft dat de jeugdige door een of meer van de hierna genoemde risico’s in de noodzakelijke condities voor een gezonde en veilige ontwikkeling naar volwassenheid <<daadwerkelijk wordt bedreigd>>:

Daarna worden er twaalf feiten en omstandigheden limitatief opgenoemd waaronder er bevoegdheden voor Bureau Jeugdzorg ontstaan om betrokken te zijn bij ouders of een minderjarige. De woorden die het belangrijkst zijn in artikel 2J WJZ, de bestanddelen, zijn gemarkeerd met <<>>. Een minderjarige moet <<daadwerkelijk>> worden bedreigd door een risico als bedoeld in dat artikel. De aanwezigheid van een risico is onvoldoende. De bedreiging moet waarachtig zijn.

Dan <<redelijk vermoeden>>. Juristen en bestuurders van de semipublieke overheid weten in een oogopslag dat <<redelijk vermoeden>> ook in het strafrecht voorkomt. Artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering heeft het er over dat iemand pas verdachte is als er sprake is van het <<redelijke vermoeden>> van schuld aan een strafbaar feit. Iedereen begrijpt terstond dat dit wettig en overtuigend bewezen moet zijn. <<Redelijk vermoeden>> in de Wet op de Jeugdzorg is een strafrechtelijk begrip. Dat de wetgever dit ook zo bedoelt blijkt uit de wetsgeschiedenis bij artikel 2J WJZ.

In de Memorie van Toelichting bij de Wet op de Jeugdzorg schrijft de wetgever:

Met het begrip redelijk vermoeden is aansluiting gezocht bij ...het strafvorderlijke begrippenkader.

En:

Dit redelijke vermoeden moet hij [red:meldingsbevoegde] kunnen motiveren en staven met concrete feiten en omstandigheden

Verder is er geen enkele bepaling in de wet die stelt dat het standaard bewijsrecht niet geldt ten overstaan van de kinderrechter. Dat de kinderrechter niet aan waarheidsvinding doet bij en tijdens echtscheidingen waarbij kinderen bij de ene of andere ouder geplaatst worden houdt niet in dat waarheidsvinding achterwege blijven kan of mag wanneer de semipublieke overheid verzoekt een minderjarige van de ouders te onthechten en onder de hoede van derden te plaatsen. Indien daarbij de feiten en omstandigheden die leiden tot de UHP of OTS niet wettig en overtuigend bewezen zijn is er sprake van kinderhandel of althans onrechtmatige dwang en drang van Bureau Jeugdzorg.

Share |
gearchiveerd onder:
comments powered by Disqus